In einer neuen Studie weisen Wissenschaftler in Österreich eine stark steigende Konzentration von Trifluoressigsäure nach. Die Substanz beeinflusst auch die Fruchtbarkeit.
Befund: In Österreichs Grundwasser findet sich immer mehr Trifluoressigsäure, kurz TFA. Das ist eine giftige Substanz, die nur sehr schwer abgebaut werden kann. Forscher haben steigende TFA-Konzentrationen an mehreren Orten nachgewiesen. Im Schnitt habe sich die Menge verdoppelt, an einer Messtelle sogar verdreifacht. Basis der Auswertung waren offizielle Daten des österreichischen Landwirtschaftsministeriums. Die Wissenschaftler gehen davon aus, dass der Anstieg mit dem Einsatz von Pflanzenschutzmitteln zusammenhängt. Die Studie muss aber noch unabhängig überprüft werden.
Chemikalie: TFA gehört zu den sogenannten Ewigkeitschemikalien (PFAS). Es löst sich gut in Wasser und ist extrem mobil. Das heißt, es verbreitet sich schnell in der Umwelt. In der Natur wird TFA nicht abgebaut, sondern reichert sich immer weiter an. Während andere Ewigkeitschemikalien an Sediment oder Bodenpartikel haften, passiert TFA jeden Filter. Deshalb landet es irgendwann zwangsläufig im Trinkwasser.
Gefahr: Erst im August hat die Europäische Lebensmittelbehörde die Menge an TFA, die ein Mensch täglich maximal aufnehmen sollte, gesenkt. Um Gesundheitsschäden zu vermeiden, solle ein Wert von 0,014 Milligramm pro Kilogramm Körpergewicht nicht überschritten werden. Damit liegt der Richtwert um den Faktor 3,5 niedriger als zuvor. Noch im Frühjahr hatte die Europäische Chemikalienagentur TFA als eine Substanz eingestuft, die die Fruchtbarkeit beeinträchtigt und Kinder im Mutterleib schädigt. Dass die Konzentrationen nur in Österreich steigen, ist unwahrscheinlich. Dänemark hat bereits im Sommer 2025 nachgesteuert und bestimmte Pflanzenschutzmittel verboten.
FAZ, 23.9.2026
Hoe in Nederland
TFA is Zeer mobiel en persistent: Omdat de molecule zo klein is en extreem goed oplost in water, filteren reguliere waterzuiveringssystemen het bijna niet uit het water. Het verspreidt zich daardoor snel via het grond- en oppervlaktewater (zoals in de Rijn en de Maas).
Het Europees Chemicaliënagentschap (ECHA) heeft TFA officieel geclassificeerd als schadelijk voor de voortplanting. In Nederland geldt vanuit het RIVM een indicatieve drinkwaterrichtwaarde van 2,2 µg/l om de inname via kraanwater binnen veilige grenzen te houden. Er gaan in de politiek en vanuit milieuorganisaties (zoals PAN Netherlands) sterke stemmen op om het gebruik van de stoffen die TFA vormen, snel aan de bron te verbieden.
Van de sectoren die TFA binnen Nederland veroorzaken, is de landbouwsector de absolute koploper en de grootste bekende bron. Boeren gebruiken jaarlijks honderdduizenden kilo's aan PFAS-houdende gewasbeschermingsmiddelen (in 2024 was dit 456.000 kilo aan pesticiden). Minimaal 11 procent hiervan breekt in de bodem af tot pure TFA. Dit maakt de landbouw de grootste directe veroorzaker op Nederlandse bodem.
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT, rapportage 2026) luidde noodklokken omdat er jaarlijks alleen al door het gebruik van PFAS-pesticiden in de Nederlandse landbouw naar schatting 21.000 kilo TFA in het milieu
In de Nederlandse landbouw wordt TFA zelf niet als los product op de akkers gespoten. Het ontstaat als stabiel afbraakproduct (metaboliet) van tientallen verschillende pesticiden (herbiciden, fungiciden en insecticiden) die fluorverbindingen (PFAS) bevatten.
Wanneer boeren hun gewassen beschermen met deze specifieke middelen, breken de actieve stoffen in de bodem langzaam af, waarbij de uiterst hardnekkige stof TFA vrijkomt en in de bodem en het grondwater spoelt.
Deze middelen worden in Nederland met name gebruikt binnen de volgende takken van de landbouw:Volgens gegevens van toezichthouders en het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) worden deze PFAS-pesticiden vooral ingezet bij:
Akkerbouw (Aardappelen en Suikerbieten): Dit is de grootste sector waar deze middelen worden toegepast. Ze dienen hier voornamelijk als fungiciden (schimmelbestrijders) om hardnekkige ziektes zoals phytophthora (aardappelziekte) te onderdrukken.
Fruitteelt en Boomgaarden: In de grootschalige teelt van onder andere appels en peren worden deze middelen gebruikt tegen schimmels en insecten. Provinciaal grondwateronderzoek laat in deze gebieden vaak verhoogde TFA-concentraties zien.
Vollegrondsgroenten (Uien, Bladgroenten en Kool): Hiertegen worden specifieke middelen ingezet om onkruid en plagen te beheersen.
Graanteelt: Bepaalde typen onkruidverdelgers in de graanbouw bevatten actieve PFAS-stoffen.
2. De specifieke stoffen en middelen
Er zijn tientallen middelen op de Nederlandse markt die TFA veroorzaken. Het Ctgb is momenteel bezig met een grote, tussentijdse herbeoordeling van 46 gewasbeschermingsmiddelen die gebaseerd zijn op zes specifieke TFA-vormende werkzame stoffen:
Fluazinam: Een zeer veelgebruikte schimmelbestrijder in de aardappelteelt. De verkoop hiervan is de afgelopen jaren explosief gestegen tot honderdduizenden kilo's per jaar.
Fluopyram: Een veelgebruikt middel tegen schimmels en aaltjes in onder andere de aardappel-, bieten- en fruitsector.
Diflufenican: Vooral gebruikt als herbicide (onkruidverdelger) bij de teelt van granen.
Mefentrifluconazol: Een relatief nieuwe schimmelbestrijder ingezet in granen en suikerbieten.
Tau-fluvalinaat: Een insecticide (insectenbestrijder).
Fluazifop-P-butyl: Een herbicide dat specifiek grassen bestrijdt in breedbladige gewassen.
Samenvattend
Het gebruik concentreert zich dus voornamelijk in de conventionele akkerbouw (vooral aardappelen en bieten) en de fruitteelt. Omdat de maatschappelijke bezorgdheid over TFA in het drinkwater toeneemt, onderzoekt Wageningen University & Research (WUR) momenteel versneld alternatieve bestrijdingsmethoden om het gebruik van deze specifieke chemische stoffen in de landbouw versneld af te bouwen of aan te scherpen.
Begleiter in die jenseitige Welt: Die Geisterfigur aus Holz, Glas, Leder und Pflanzenfaser entstand im 19. Jahrhundert bei den sibirischen Nanai für den Gebrauch des Schamanen.Michelle Striegel/rem
Was sind eigentlich Schamanen? Eine Ausstellung in Mannheim versucht das zu ergründen. Und greift dafür auf die reiche sibirische Sammlung der Reiss-Engelhorn-Museen zurück.
Als der neue Lehrling Krabat zum ersten Mal die Osternacht auf der gespenstischen Mühle in der Lausitz erlebt, nimmt ihn sein Freund Tonda mit. Die Knappen sollen jeweils in Paaren irgendwo draußen an einer Stelle übernachten, an der ein Mensch ums Leben gekommen ist. Tonda macht ein Feuer an, sie reden. Irgendwann wird er immer einsilbiger, dann reagiert er auf nichts mehr und sitzt wie erstarrt bei der Glut. Viel später erfährt Krabat, dass der Freund währenddessen aus seinem Körper hinausgegangen ist, unsichtbar, aber hellwach für alles, was ihn umgibt. Vor der Morgendämmerung kehrt Tonda in seinen Leib zurück. Krabat lernt das auch.
Wie soll man das nennen, was die Mühlknappen, zugleich Zauberlehrlinge, in Otfried Preußlers Roman „Krabat“ erleben? Mancher würde von Schamanismus sprechen und hätte gute Argumente dafür. Denn traditionell gehört zu den damit verknüpften Vorstellungen das zeitweilige Verlassen des Körpers, der leblos zurückbleibt, während sich der Schamane auf eine Reise begibt: Begleitet von Hilfsgeistern, versucht er, in anderen Welten Auskünfte darüber zu erhalten, wie etwa Probleme der Gemeinschaft zu lösen wären, der er angehört, oder Krankheiten einzelner Mitglieder zu heilen.
Wer der Meeresgöttin die Haare kämmt
Oder der Schamane sorgt für reiche Jagdbeute: Der Arktisforscher Knud Rasmussen berichtet von einer Erzählung der grönländischen Inuit, nach der ein Schamane auf einer solchen Reise in die Tiefen des Polarmeers gelangt sei, um der Meeresgöttin die Haare zu kämmen und sie günstig zu stimmen, damit es den Inuit künftig nicht an Robben und Fisch mangelt.
Hut mit Geweih der Nanai aus Stoff, Glasperlen, Haut, Farbmittel, Sehne und Knochen, 19. JahrhundertCarolin Breckle/rem
In Mannheims Reiss-Engelhorn-Museen findet nun eine Ausstellung statt, die sich dem Schamanentum widmet, eingegrenzt auf das immer noch ungeheure Gebiet Sibiriens, aber mit knappen Ausblicken auf andere Ethnien. Für diese Konzentration gibt es zwei Gründe: Einmal ist der Schamanismus durch Forschungsreisende in Nord- und Nordostasien früh und besonders gut dokumentiert, zum anderen verfügt die Mannheimer Sammlung über reiche ethnologische Bestände aus Sibirien, die aus dem Nachlass des Malers Gabriel von Max (1840 bis 1915) stammen.
Der allergrößte Teil der jetzt gezeigten Exponate geht auf seine Sammlung zurück, aus der die Kuratoren wiederum Lebenszeugnisse dreier sibirischer Völker ausgewählt haben: der Tschuktschen im äußersten Nordosten, der südlich von ihnen am Pazifik lebenden Korjaken und der Nanai (oder Hezhen), die im Amur-Gebiet beiderseits der russisch-chinesischen Grenze zu Hause sind.
Wer hat ihnen nur das alte Gewehr verkauft?
Darauf stimmen schon vor dem Eingang zur Ausstellung drei gezeichnete Vertreter dieser Ethnien ein. Das weist noch auf den naheliegenden Befund hin, dass Schamanismus als Phänomen nicht unabhängig von der jeweiligen Kultur derer, die ihn praktizieren, gesehen werden kann und deshalb regional sehr unterschiedlich ausgeprägt ist.
So stehen hier die mit ausufernden Ornamenten manchmal bis in den letzten Winkel geschmückten Kleidungsstücke und Schuhe der Nanai neben etwas schlichterem Werkzeug der anderen, ein Mantel aus Fischhaut der Nanai neben einem aus Tierdarm der Tschuktschen, entstanden auf einer Insel in der Beringsee und offenbar durch Handel zu seinen letzten sibirischen Besitzern gekommen. Auch Jagdwaffen wie eine Vogelschleuder, eine Hermelinfalle oder gar ein irgendwie erworbenes und wenig vertrauenerweckendes Gewehr erzeugen Konturen eines Bildes vom Überleben unter sibirischen Bedingungen.
Tierfigur der Korjaken aus Walrosselfenbein von Kamtschatka, 19. JahrhundertMaria Schumann/rem
Die Vorstellung der drei Ethnien geschieht in einer ersten Abteilung der Ausstellung, die aber lediglich durch Stellwände mit breiten Durchlässen unterteilt ist. Alles gehört zusammen, die allgemeine Kultur und der Schamanismus im Speziellen, die Zeugnisse der sibirischen Ethnien und die anderer Völker, deren schamanistische Praktiken in einem letzten Teil der Schau in den Blick genommen werden, die Gegenstände aus dem 19. Jahrhundert, die Gabriel von Max ankaufte, und diejenigen, die sich dem Neoschamanismus unserer Zeit verdanken.
Die körperlose Reise
Tatsächlich zeugt die Ausstellung von einigem Kulturtransfer zwischen den Ethnien, etwa bei importierten Essstäbchen oder einem besonders schönen Exponat, einer Ledertasche der Nanai, die mit eingetauschter chinesischer Seide geschmückt ist. Ihre Farben sind verblichen, wie die vieler anderer Stücke, dafür geizen die Ausstellungsgestalter nicht mit Farbakzenten an den Wänden.
Die mit Amuletten verzierte Kinderwiege der Nanai aus Holz, Rinde und Fischhaut soll fragile Seelen im Körper zurückhalten.Michelle Striegel/rem
Was aber von alldem gehört spezifisch zum Schamanentum? Voraussetzung für die damit verbundenen Praktiken, allem voran die körperlose Reise, ist die Trance, in die sich der Schamane versetzt. Dafür stehen hier einige hinreißend schöne Trommeln, darunter ein Exemplar aus Nordnorwegen, aber auch ein Gürtel aus Leder und Eisenschellen wiederum der Nanai, der die Bewegungen seines Besitzers akustisch untermalt. Eine Geweihkappe aus bemaltem Leder war bis vor Kurzem noch in der Schamanin-Ausstellung in Halle zu sehen, ein anderes Exponat ist noch dort, eine von mehreren Holzfiguren, die für die Geister stehen, die eine solche körperlose Reise begleiten. Auch kleine Tierfiguren aus Holz oder Walfischknochen können diesem Zweck gedient haben.
Solche Helfergeister wurden durchaus gebraucht, etwa um Kinderseelen in ihren Körpern zu halten, mit denen sie, so die Vorstellung, anfangs nur lose verbunden sind – in Mannheim ist eine hölzerne Wiege zu sehen, die deshalb mit Amuletten versehen ist. Sich dieser Geister zu bedienen, war Teil der schamanistischen Ausbildung, die mit einer Initiation endete. Diese Laufbahn war kein Ergebnis einer persönlichen Entscheidung, sondern einer Berufung, der man sich nicht gut entziehen konnte.
Schamanen Sibiriens – Zwischen den Welten. Reiss-Engelhorn-Museen, Mannheim; bis 27. Juni 2026. Der reichhaltige Katalog kostet 27 Euro.