Wat gaat er mis met de koolmees? Iedereen met een nestkast kan helpen de opvallende sterfte te onderzoeken

Er gaan opvallend veel koolmezen dood in nestkastjes. Onderzoeker Peter Lindenburg, die ook een dood meesje in zijn tuin vond, roept de hulp in van honderden burgerwetenschappers om de oorzaak te achterhalen. Spelen vlooienbandjes een rol?
is wetenschapsredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over natuur en biodiversiteit.
Altijd weer een voorjaarsfeestje in de tuin of op het balkon: kool- of pimpelmeesjes die een vrijstaande nestkast hebben gekraakt en van de ene op de andere dag af- en aanvliegen op hun nieuwe tijdelijke woning. Klaar voor gezinsuitbreiding. Eerst voeren ze plukjes mos en hondenhaar voor het nest aan, later vliegen ze met rupsjes en andere insecten het hokje in voor de steeds luider kwetterende jongen. Nog even – eind april, begin mei – en het eerste jong zal nieuwsgierig zijn koppie buiten het vlieggat steken en verwonderd de wereld inblikken. Een paar dagen later zijn ze zomaar weg.
In die vrolijke voorjaarsidylle is een deukje gekomen: steeds vaker komen eitjes niet uit, of tref je bij het schoonmaken van de nestkast na de zomer dode jongen aan. Dat overkwam ook Peter Lindenburg, lector analytical biosciences van de Hogeschool Leiden, in zijn eigen tuin. Als echte analytisch chemicus ging hij op onderzoek. Hij nam een dood meesje mee naar zijn laboratorium en onderzocht het op bestrijdingsmiddelen. Die zaten in het lijfje. Lindenburg: ‘Mijn overbuurvrouw had ook dode mezen in haar nestkast en die hebben we ook onderzocht. Alle vogels bleken pesticiden te bevatten.’

Eerder had Lindenburg, die verbonden is aan het Leiden Centre for Applied Biosciences, al de vraag gekregen van een veldbioloog: of hij in staat was DDT te meten in de eieren van een boerenzwaluw. Dichloordifenyltrichloorethaan is een berucht insectenbestrijdingsmiddel, zo schadelijk voor het milieu dat het in de westerse wereld al vijftig jaar verboden is. De veldbioloog had tijdens onderzoek in Afrika gezien dat boeren daar het middel nog gebruiken tegen de malariamug. Aangezien de boerenzwaluw elk voorjaar vanuit Afrika naar het Noorden komt, liet hij enkele eitjes door Lindenburg onderzoeken. En ja hoor: daar zat DDT in. Opmerkelijk: het bleek geen ‘nieuwe’ DDT uit Afrika, maar oude ‘Nederlandse’ DDT, die kennelijk nog altijd rondzwerft in het milieu.
Ideale graadmeter
‘Toen ontstond het idee om structureel vogels te gaan onderzoeken op bestrijdingsmiddelen’, zegt Lindenburg. Vogels zijn een ideale graadmeter en mezen helemaal. ‘Die komen in het hele land voor, iedereen houdt van ze en er hangen misschien wel honderdduizenden nestkasten in tuinen.’
Of het echt zo is dat in die nestkasten steeds meer dode meesjes worden aangetroffen, staat overigens niet helemaal vast. Mogelijk zijn mensen alleen maar meer en beter gaan opletten, stelt het Dutch Wildlife Health Centre op z’n website. ‘Zo hebben mensen door het thuiswerken in coronatijd meer oog voor de vogels in de tuin gekregen. Daarnaast spelen sociale media zeer waarschijnlijk ook een rol. Ervaringen en waarnemingen worden snel gedeeld, waardoor mensen ook beter opletten.’
Dat laat onverlet dat koolmezen, de meest algemene soort onder de mezen, ideale ‘tools’ zijn voor ‘biomonitoring’, zoals het heet in het jargon van onderzoekers als Lindenburg. Ze komen in het hele land voor en maken dankbaar gebruik van de nestkastjes die enthousiaste vogelvrienden in hun tuin hangen. Omdat ze in zulke grote aantallen voorkomen (en wel acht tot tien eitjes per legsel produceren), valt met de uitslagen van metingen heel exact te lokaliseren waar bestrijdingsmiddelen zich precies verspreid hebben. Veel beter dan bij meten in water, waarop het Centrum voor Milieukunde in Leiden – ook partner in Lindenburgs onderzoek – de bestrijdingsmiddelenatlas.nl baseert. ‘Water is niet overal, mezen wel’, aldus Lindenburg. ‘Ook verwachten we in mezen andere bestrijdingsmiddelen te vinden dan in water.’
Zo hoopt Lindenburg te komen tot een biobank waarin de meetgegevens kunnen worden opgeslagen. ‘We hebben een grote vriezer in het lab staan, waarin in principe ruimte is voor vijfduizend meesjes. Daar hopen we ook in de toekomst nog onderzoek mee te kunnen doen, bijvoorbeeld naar pfas of genetisch onderzoek.’
Zonder landelijke media-aandacht hebben zich al 790 vrijwilligers aangemeld. Daaronder zitten ook leden van vogelwerkgroepen en vrijwilligers die via onderzoekspartners Sovon en Vogelbescherming werden bereikt. ‘Op dit moment worden komend broedseizoen iets meer dan tienduizend nestkastjes geïnspecteerd door onze deelnemers’, zegt Lindenberg, maar hoe meer deelnemers hoe beter. Aanmeldingen zijn nog zeer welkom – het broedseizoen moet immers nog beginnen.
Grote voorraden vogelhuisjes
Hoeveel nestkasten hangen er eigenlijk in Nederland? Het enige concrete cijfer dat valt te achterhalen, is dat van onderzoekspartner Nestkast, wat staat voor Netwerk voor studies aan nestkastbroeders. De werkgroep verzamelt gegevens over nestkasten en broedgevallen. In het recentste jaarverslag, uit 2023, worden de gegevens samengevat van 20.107 nestkasten die door burgerwetenschappers werden gevolgd. Mezenkastjes vormen de grote meerderheid, maar het gaat ook om kasten voor onder meer spreeuwen, en bosuilen.
Gezien de grote voorraden vogelhuisjes in tuincentra, supermarkten en gespecialiseerde webwinkels is het aantal nestkasten in de Nederlandse natuur vele malen groter.
Dat pesticiden ook andere organismen doden dan waarvoor ze bedoeld zijn, stelde een groep internationale wetenschappers afgelopen februari al vast in het wetenschappelijk tijdschrift Nature Communications. In een meta-analyse van 1.705 onderzoeken hebben zij de effecten van bestrijdingsmiddelen op meer dan twintigduizend soorten bepaald. Er kwamen forse onbedoelde effecten aan het licht.
De chemische middelen doden onbedoeld vele soorten bacteriën en schimmels, planten, insecten, amfibieën, vogels en zoogdieren. Ze verstoren de groei, voortplanting en het gedrag van dieren, en bij planten en micro-organismen een aantal fysiologische processen. Ook bleek dat nieuwe generaties bestrijdingsmiddelen – door de chemische industrie vaak aangeprezen als minder schadelijk – dezelfde effecten hebben op de biodiversiteit.
Vlooienbanden
Een van de hoofdverdachten in het onderzoek naar bestrijdingsmiddelen zijn vlooienbanden en andere middelen waarmee honden- en kattenbezitters hun huisdier behandelen tegen de kriebelbeestjes. Hondenbezitters kammen hun huisdier vaak in het plantsoen en laten de plukken haren met de beste bedoelingen liggen voor de vogels, die er hun nesten mee bouwen. Zo komen restanten van de middelen bij de vogels en hun jongen terecht, met alle risico’s van dien.

De werkzame stoffen in die middeltjes zijn imidacloprid en permethrin, beide verboden in de landbouw, omdat ze al in zeer lage concentraties dodelijk bleken voor wilde bijen. Even dodelijk is fipronil, een voor de mens schadelijk middel dat in 2017 werd aangetroffen in kippeneieren. Gifstoffen uit middelen tegen vlooien (en teken) zijn al gevonden in vogelnesten, paardenbloemen, waterplassen en ook mensenhaar.
Hoewel de bestrijdingsmiddelen in de landbouw verboden zijn, vallen ze in het geval van vlooienmiddelen juridisch onder geneesmiddelen, waardoor andere normen gelden. Onduidelijk is nog wat de stapeling van (lage) doses van verschillende middelen precies doet.
In een pilotproject vond Lindenburg al resten van antivlooienspul in eitjes van mezen. ‘We vermoeden dat het via honden- of kattenhaar in de vogelnesten is beland. Het is niet helemaal duidelijk of het gif aan de buitenkant of de binnenkant van de eitjes zat. Daarom zijn wij samen met Vogelbescherming Nederland bezig aan een apart onderzoek.’
Lindenburg wil waken voor aannamen vooraf. ‘Ik ben analytisch chemicus, geen eco-toxicoloog. Ik kan vooral goed meten en dat is precies het doel van dit project. Feiten in kaart brengen. Pas daarna kunnen we die linken aan biodiversiteit of volksgezondheid.’
Het is niet de buxus
Het Dutch Wildlife Health Centre in Utrecht nam al eens een voorschot op mogelijke verklaringen van mezensterfte. Longontsteking door de bacterie Suttonella ornithocola, bijvoorbeeld. Dat bleek het geval in 2020, toen sterfte onder volwassen pimpelmezen werd gemeld. Die bacterie had in Engeland al eerder huisgehouden onder de mezen en de onderzoekers verwachten dat het in Nederland ook een oorzaak zal blijven.
Grofweg kunnen jonge mezen in het nest sterven door voedseltekort of vergiftiging, schrijven de onderzoekers. Omdat enkele jaren geleden de verdenking bestond dat de bestrijding van de buxusmot tot sterfte onder mezen leidde, is dat in 2019 onderzocht.
‘De ouders voeren de jongen met allerlei rupsen en andere insecten en wanneer deze hoeveelheden pesticiden bevatten, hopen die zich op in de jongen. Ook zou het kunnen voorkomen dat het voedsel zelf stoffen bevat die giftig zijn voor de jonge mezen. In de buxus zit buxine, dat giftig is voor zoogdieren. Paarden gaan dood wanneer zij te veel buxus eten. In buxusmotrupsen zit ook buxine, wanneer de ouders deze rupsen aan de jongen voeren, krijgen zij ook buxine binnen. Of dit giftig is voor (jonge) vogels is niet uit de literatuur op te maken. (...) In de proeven die NIOO-KNAW in 2018 heeft uitgevoerd of buxusmotrupsen door koolmezen werden gegeten, bleek dat ze deze rupsen aten én dat ze er niet aan dood zijn gegaan. Dus lijkt buxine niet giftig te zijn voor volwassen koolmezen.’
Geen opmerkingen:
Een reactie posten