Een van de ‘Donatiepotten’ van Koos Buster (1991) staat bij het Fries Museum. Deze niet, dit exemplaar staat in het mienskipshûs.Foto Ernst van Deursen
Kunstroute Paradys in Leeuwarden, dagelijks gratis toegankelijk t/m 24 augustus. Er zijn ook drie kunstwerken te bezichtigen in Beetsterzwaag, Mirns en op Vlieland. Info: arcadia.frl
Pesticiden hebben een imagoprobleem, vindt de overheid. Dus schakelt ze reclamemakers in
De nadruk bij discussies over bestrijdingsmiddelen in de politiek en media ligt nu wel erg op gevaren voor volksgezondheid en milieu, vinden vier ministeries. Ze roepen een reclamebureau te hulp om dat beeld te veranderen.
verslaggever natuur en landschap
“Absoluut veilig is zo’n middel natuurlijk niet”, legt een woordvoerder van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) uit. “Het blijven stoffen die gericht zijn op het bestrijden van een plaag of het beschermen van een gewas tegen schadelijke organismen en zijn daarmee inherent schadelijk. Bedoeld wordt dat bij gebruik volgens de voorschriften er geen onaanvaardbare risico’s optreden.”
De opdracht aan de reclamebureaus is ‘een nieuwe kernboodschap’ op te stellen, ‘die uitlegt hoe het beoordelingssysteem van bestrijdingsmiddelen bijdraagt aan het beschermen van burgers tegen de mogelijke negatieve effecten van die middelen’.
Communicatie beter afstemmen
De beoordeling of een middel in Nederland wordt toegelaten is het werk van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Het Ctgb ‘beoordeelt volgens in de wetgeving verankerde criteria en internationale afspraken of deze middelen veilig zijn voor mens, dier en milieu’, legt de organisatie uit op haar website.
Het Ctgb is een zogeheten zelfstandig bestuursorgaan, dat onafhankelijk beoordeelt en adviseert, zo staat in de missie. De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) is verantwoordelijk voor het Ctgb. LVVN gaat ook over beleid voor gewasbeschermingsmiddelen, IenW gaat over biociden. Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) over resten van bestrijdingsmiddelen in voeding en Sociale Zaken, en het ministerie van Werkgelegenheid (SZW) over een gezonde werkomgeving.
De vier ministeries en het Ctgb willen hun communicatie beter op elkaar afstemmen, legt de woordvoerder uit. De missie van het Ctgb staat niet ter discussie, “die heeft zijn basis in Europese wetgeving”.
Ctgb krijgt van beide kanten kritiek
Belangengroepen van omwonenden en natuurorganisaties, die zich zorgen maken over hun eigen gezondheid en verlies aan biodiversiteit, zetten de laatste jaren vaker vraagtekens bij die onafhankelijke positie van het Ctgb. De organisatie doet zelf geen onderzoek, maar beoordeelt studies die door de fabrikanten moeten worden aangeleverd, aangevuld met ander wetenschappelijk onderzoek.
Critici vinden dat het Ctgb de oren te vaak laat hangen naar economische belangen. Anderzijds vinden sommige gebruikers het Ctgb te kritisch.
Begin dit jaar tikte de rechter het Ctgb op de vingers omdat het een schimmelbestrijder, Dagonis, had toegelaten zonder de meest recente onderzoeksgegevens mee te laten wegen. Het Ctgb had dat niet gedaan omdat de werkzame stof in dit middel, difenoconazool, al was toegelaten door de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid Efsa. De fabrikant, in dit geval Basf, moet daarop kunnen vertrouwen.
De Nederlandse rechter vroeg daarop het Europees Hof van Justitie om advies, in zogeheten prejudiciële vragen. Het hof stelde dat bij de beoordeling van stoffen en middelen altijd de meest actuele kennis moet meewegen en de Nederlandse rechter ging daarin mee: de toelating blijft voorlopig overeind, maar het Ctgb moet het middel opnieuw toetsen.
‘Pas het voorzorgsbeginsel toe’
Er lopen nog enkele vergelijkbare rechtszaken, waarvan de bekendste gaat over de toelating – ook Europees – van onkruidbestrijder glyfosaat. Daarnaast hebben verschillende rechtbanken in Nederland inmiddels uitspraken gedaan over mogelijke gezondheidsrisico’s voor omwonenden door gebruik van pesticiden, veelal op bollenvelden. Hoewel de middelen door het Ctgb zijn toegelaten, oordeelden enkele rechtbanken dat het gebruik uit voorzorg moet stoppen.
De Wageningse hoogleraren en broers Nico en Paul van den Brink (toxicologie en chemische stress ecologie) drongen er vorige maand in een opinieartikel in de Volkskrant op aan het gebruik van pesticiden in de bloementeelt te verbieden. “Wacht niet op bewijs dat bestrijdingsmiddelen leiden tot parkinson of verlies van biodiversiteit, maar pas het voorzorgsbeginsel toe”, zegt Paul van den Brink. Dat wordt mede gerechtvaardigd doordat bloemen en bollen geen voedsel zijn dat van bestrijdingsmiddelen afhankelijk is.
“In het publieke debat is vrij veel verwarring over pesticidebeleid en beoordeling, dus altijd reden om te bedenken hoe er duidelijker gecommuniceerd zou kunnen worden”, zegt de Amsterdamse hoogleraar ecologische milieukunde Annemarie van Wezel, die nog tot eind dit jaar collegelid is van het Ctgb.
Juist de combinatie kan leiden tot problemen
Bij toelating gaat het om één middel gericht op één teelt, legt ze uit. Bij de beoordeling gaat het niet om blootstelling via andere teelten, gebruik van andere middelen of andere vormen van chemiegebruik. “Juist deze combinatie kan problemen geven voor het milieu. En die wetgeving kan altijd beter en actueler”, erkent Van Wezel. Het Ctgb gaat alleen over de toelating, voor gebruik kunnen lokale overheden aanvullende maatregelen nemen, zegt ze.
De Nijmeegse hoogleraar humaan en ecologische risicobeoordeling vindt het fijn dat het Ctgb actie onderneemt om de communicatie genuanceerder te maken. “Ik verbaas me er al jaren over dat het Ctgb op haar website heeft staan dat het gebruik van pesticiden veilig is. Communicatietechnisch is het verstandiger de verantwoordelijkheid te leggen waar die hoort: bij de gebruiker. Als je stelt dat pesticiden veilig zijn, dan leidt dit automatisch tot het overnemen van verantwoordelijkheid en dat zou je als overheid niet moeten willen.”
‘We dragen een leegte in ons die we maar vullen met eindeloze consumptie, in allerlei vormen’
Prinses Irene van Lippe-Biesterfeld: ‘We dragen een leegte in ons, die we maar vullen met eindeloze consumptie, in allerlei vormen’Erik Smits
De mens ís natuur, die filosofie draagt prinses Irene (85) al een half leven uit. Dat wereldbeeld zet ze nog een keer uiteen in Wij zijn natuur, een tentoonstelling in Singer Laren, die bezoekers uitnodigt die eenheid zelf te ervaren. ‘In onze ingewikkelde samenleving trekken we allemaal schotjes op.’
is kunstverslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft over kunstpolitiek, subsidiebeleid en wat zich afspeelt op het snijvlak van kunst en samenleving.
Onlangs liep Irene van Lippe-Biesterfeld eindelijk dan helemaal alleen door de moderne kunsttentoonstelling Wij zijn natuur, waar ze twee jaar geleden zelf de aanzet toe had gegeven. De royaltyfotografen, eerder uitgerukt voor de feestelijke opening in aanwezigheid van haar oudere zus Beatrix, waren al lang weer verdwenen. Het was vroeg in de ochtend, nog voor museum Singer Laren de deuren voor het publiek opende.
Vrij aan het begin van de tentoonstelling stond ze nu alleen tegenover Mélancolie (2013-14), een meer dan twee meter hoog bronzen beeld van de Roemeense kunstenaar Albert György. Op een bank zit een mens, met een hoofd, armen en benen, maar geen borstkas – geen longen, geen hart. Vanuit een speaker klonken haar eigen woorden, in haar eigen stem, als ware een voice-over:
We zijn weeskinderen op aarde ontworteld, losgekoppeld deze scheiding is als een leegte in onszelf
‘Ik stond daar in stilte en het beeld raakte me alweer enorm’, zegt ze aan tafel in de keuken van haar huis in de bossen van de Utrechtse Heuvelrug. ‘We dragen een leegte in ons, die we maar vullen met eindeloze consumptie, in allerlei vormen. Om de pijn en het verdriet van het leven te overstemmen.’
Advertentie
Vervreemding van de natuur
De sculptuur is een treffende verbeelding van de filosofie die de 85-jarige prinses al sinds de vorige eeuw uitdraagt – lang voor de oprichting van de klimaatbeweging Extinction Rebellion dus. De geïndustrialiseerde, kapitalistische mensheid is volgens haar vervreemd geraakt van de natuur, en daarmee van zichzelf. Door de aarde uit te buiten en te vernietigen, vernietigen we onszelf. Met alle zichtbare gevolgen voor het klimaat.
Immers, zegt ze dan steeds: wij zijn natuur. Net zoveel natuur als een mier, of een schimmel – of als het water dat ons in leven houdt en de steen die ons draagt.
Het beeld ‘Mélancolie’ (2013-14) van Albert György in de tuin van het Singer Laren.Aad Hoogendoorn
Na de ontmoeting met Mélancolie dwaalde Irene van Lippe-Biesterfeld door de vijf tentoonstellingszalen. Gastcurator Maarten Spruyt heeft die in samenspraak met haar ingericht met een keur aan tekeningen, schilderijen, sculpturen, installaties en videowerk van de laatste tien, twintig jaar. Het is een gevarieerde zoektocht van kunstenaars die de kloof met de natuur willen dichten.
Wat ik nog zeggen wil
Ze zag bijen onophoudelijk vliegen en scharrelen om een honingraat in de video Fire Urn (2024) van de Slowaak Tomás Libertíny (‘Alsof je naar een vuur of de zee staart’), en keek een beer recht in de ogen in het close fotoportret Kodiak Bear #1 (2024) van de Australiër Dean West (‘Wat denkt hij, is hij nieuwsgierig, of helemaal niet?’).
Wij zijn natuurheeft als ondertitel ‘Wat ik nog zeggen wil’ en Van Lippe-Biesterfeld kent de boodschap dus wel. Ze deed toch haar best de begeleidende teksten te lezen en te beluisteren ‘alsof ze niet van mij waren, hoe moeilijk dat ook was’. De gang langs de rijke variatie aan werken ervoer ze als ‘een zintuiglijke ervaring’. De veranderingen in kleur tussen tentoonstellingszalen bespeelden haar, net als de soundscape Hortus (2025) van de Nederlandse geluidskunstenaar Jeroen Kimman. Steeds kantelde de sfeer – van de subtiele klank van het gewroet van houtmieren tot zoemende bijen en rollende donder.
Volg de druppel water
De zaal die is gewijd aan steen, water en ijs mag op het eerste gezicht een ‘lege wereld’ lijken. Maar kijk eens om het 3D-geprinte rotsblok Echo of a song long lost (2024-25) van de Nederlander Jonathan Vervoort en volg de druppel water, die steeds opnieuw valt in de ingenieuze installatie Passage to the Lake (2021) van de Zuid-Koreaan Moon Seop Seo. ‘Als je blijft staan gebeurt er echter heel veel.’
Als ze terugdenkt aan dit bezoek, verwoordt Van Lippe-Biesterfeld het gevoel waarmee ze naar huis reed zo: ‘Ik voelde een hele diepe rust: dit is waar het om gaat.’
‘The First Meeting of the Stone Liberation Front’ van V&B, te zien op de tentoonstelling ‘Wij zijn natuur’ in Singer Laren.Aad Hoogendoorn
Het is dertig jaar geleden dat Van Lippe-Biesterfeld voor het eerst haar zorgen uitte over de moderne mens die zich als heerser over de natuur gedraagt. In haar boek Dialoog met de natuur (1995)beschreef ze hoe ze in het leven was vastgelopen, tot ze plotseling, tijdens een eenzaam moment in de Zwitserse bergen, een groot gevoel van eenheid ervoer met de aarde en de kosmos.
Het boek was indertijd een spirituele bestseller, maar maakte van de prinses ook het mikpunt van spot als ‘boomknuffelaar’. Het bracht haar niet van de wijs. Ze publiceerde sindsdien nog een handvol boeken, gaf als proef op de som 5.000 hectare grond in Zuid-Afrika terug aan de wildernis en leidt al jarenlang cursussen en natuurretraites onder het motto ‘Wij zijn natuur’. Aan erkenning geen gebrek. Haar stichting NatuurCollege financiert sinds 2023 aan de Wageningen Universiteit het bijzonder hoogleraarschap ‘Mens-natuurrelaties in het Antropoceen’.
Wereldbeeld
Daarmee was het nog niet klaar. ‘Dat er in de politiek nog steeds niet echt voor het klimaat en voor de natuur is gekozen, maakte me in deze periode van mijn leven onrustig. Ik zocht naar een vorm waarmee ik mijn wereldbeeld nog een keer midden in de maatschappij kon zetten.’
Ze besprak het verlangen met haar vriendin Fusien Bijl de Vroe, die als oud-directeur van de Vereniging Rembrandt jarenlang een spil was in de Nederlandse museumwereld. Ze wees Irene op Singer Laren. In de tentoonstellingscatalogus dankt museumdirecteur Jan Rudolph de Lorm haar dan ook als ‘liefdesduif en verbindingsofficier’.
Singer Laren was snel voor het idee van Wij zijn natuur te porren – en niet alleen omdat het museum midden in het land ligt. De Gooise plaats Laren verwierf immers aan het eind van de 19de eeuw internationaal faam als hotspot van de natuurschilderkunst en het museum dankt zijn bestaan aan de collectie die het Amerikaanse echtpaar Singer daar verzamelde.
Contact maken met de natuur
Voor de samenstelling en vormgeving van Wij zijn natuur stelde het museum met gevoel voor avontuur Maarten Spruyt voor, die tot dan toe vooral naam had gemaakt met grote modetentoonstellingen. Het klikte meteen tussen de twee. Om het wereldbeeld van prinses Irene beter te leren kennen nam Spruyt deel aan haar jaarlijkse Spirit of the Wild-retraite in de Zwitserse Alpen, die volgens de aankondiging is bedoeld om ‘afstand te nemen, na te denken en opnieuw contact te maken met onszelf en de natuur’.
Het pakte hem. De vijfde zaal van de tentoonstelling in Laren nodigt bezoekers uit een concrete belofte te doen om zich meer te verbinden met de natuur. Hier is het Van Lippe-Biesterfeld om te doen. ‘Het hoopvolle aan de boodschap van Irene is dat alle dingen die je doet, hoe klein ook, samen verschil maken’, zegt de 58-jarige Spruyt aan de telefoon. ‘Ik raap tegenwoordig weggegooide elastiekjes op van de straat. Ooievaars denken dat het wormen zijn en eten ze op. Hun maag raakt er vol mee en dan gaan ze dood.’
Fotografie en videowerk van Tineke van der Pouw Kraan uit de reeks ‘De wereld onder onze voeten’ (2021-2025), te zien op de tentoonstelling ‘Wij zijn natuur’ in Singer Laren.Aad Hoogendoorn
In de keuken van Irene van Lippe-Biesterfeld staat naast de openstaande tuindeur een klein kooitje op de grond. De laatste tijd snuffelen er muizen rond. Met een nootje lokt ze de muizen het kooitje in. Als ze binnen toehappen, klapt het deurtje dicht. Ze zet het dier daarna levend en wel terug in het bos, dat zich aan het eind van haar gazon aandient.
Waarom wilde u uw verhaal met beeldende kunst vertellen?
‘Kunst raakt mensen op een andere manier dan boeken of een workshop dat doen. Het vindt ingang via de emoties, de zintuigen, niet via de analyse. Ik denk dat als je in je emoties wordt geraakt, dat je dan iets langer met je meedraagt.
‘We laten werken van kunstenaars uit de hele wereld zien. Dat vind ik belangrijk. Verschillende culturen met verschillende uitgangspunten, maar ze komen wel bij hetzelfde uit, dat we samen deel zijn van één geheel. Nu we dat hebben samengebracht en tonen met speciaal vormgegeven natuurgeluid en belichting, geloof ik dat we mensen op een vollediger manier bereiken dan alleen via hun brein.’
De museumdepots staan vol met werk van landschapsschilders uit voorbije eeuwen. Waarom heeft u daar niets van gekozen?
‘Zij hebben het er niet over dat ze zélf natuur zijn! De klassieke schilderijen zijn mooi, maar de natuur is daar een nice backdrop: een bos is voor de mens om in te lopen, de zee om in te zwemmen.
‘Het gevoel dat we zelf natuur zijn en deel uitmaken van het geheel is heel anders. Het vraagt om toewijding om dat gevoel terug te krijgen. Ik denk dat kinderen met de natuur verbonden zijn totdat ze naar school gaan. In het onderwijs gaan veel gevoeligheden bij hen dicht. Voor iedereen loopt de weg om je weer open te stellen anders. Wel zie je vaak dat mensen die op een kwetsbaar moment in hun leven zijn, makkelijker worden geraakt door de natuur.’
Aan het begin van de tentoonstelling wordt bezoekers gevraagd niet te praten in de zalen en geen foto’s te maken. Waarom?
‘Als je met iemand aan het kletsen bent of je gedachten zijn afgeleid door iets op je telefoon is het moeilijker om geraakt te worden. Het contact met de natuur terugvinden kost tijd en vraagt om stilte. Zelf merkte ik bijvoorbeeld dat er iets in mezelf openging zodra ik de natuurgeluiden in de zalen hoorde. Je kijkt dan meteen op een andere manier. Als je in de ruimte staat met de meterslange slang die in zijn staart bijt, Ouroboros (2022) van de Braziliaan Henrique Oliveira, dan voel je dat die weg wil, dat-ie uit de ruimte barst.’
‘Ouroboros’ (2022) van de Braziliaanse kunstenaar Henrique Oliveira, te zien op de tentoonstelling ‘Wij zijn natuur’ in Singer Laren.Aad Hoogendoorn
Ziet u de tentoonstelling als een oefening voor mensen om zich open te stellen voor de natuur? Het is voor velen immers normaler om je met een kunstwerk te verbinden dan met een boom.
‘Niet als oefening, als een uitnodiging. Oefening vind ik dwingender.’
Maar de vraag om stilte is toch ook best schools? Ik merkte tijdens een bezoek dat niet iedereen zich eraan hield.
‘Nou, het is een vriendelijk verzoek ‘om de stilte te laten spreken’. Geen verplichting. Natuurlijk zal dat sommige mensen irriteren, maar andere mensen zijn weer geïrriteerd als iemand praat.’
De suppoosten van Singer Laren zijn niet gevraagd om als politieagenten praters aan te spreken en naar het museumcafé te verwijzen, zegt het hoofd van de communicatieafdeling. Ze zit ook aan de keukentafel bij de prinses, net als de woordvoerder die Van Lippe-Biesterfeld al meer dan twintig jaar bijstaat in contact met journalisten. Ook tegen hen zegt de prinses: ‘Van kunstkenners die naar de tentoonstelling zijn geweest hoorden we ook dat er geen dwang in het verhaal was. Dat er ruimte is voor iedereen om het op hun eigen manier te beleven. Dat vind ik belangrijk.’
Bloeiende kastanje
De boom die Irene van Lippe-Biesterfeld al een leven lang vergezelt, hangt in de zitkamer. Haar grootmoeder Wilhelmina schilderde ooit een bloeiende kastanjeboom. ‘Ik kijk er dagelijks naar.’ Het hangt in de hoek, je loopt er recht tegenaan. De houten lijst heeft een zilveren glans. De witte bloemen lichten als kaarsen op in het donkere gebladerte. ‘Ieder jaar als de kastanjes in bloei staan, schilder ik een antwoord op haar schilderij.’
Toen ze op 5 augustus 1939 werd geboren als tweede dochter van kroonprinses Juliana en prins Bernhard, hoopten haar ouders de oorlogsdreiging van die dagen te bezweren door haar de naam Irene te geven – vrede in het Grieks. Het mocht niet zo zijn: een maand later vielen de nazi’s Polen binnen.
Na haar vroegste jeugd in Canada te hebben doorgebracht, ver weg van het bezette Nederland, leefde Van Lippe-Biesterfeld na de oorlog een afgeschermd koninklijk leven op Soestdijk. In Dialoog met de natuur schreef ze daar het volgende over: ‘Een hond blaft daar ergens buiten de hekken. Iedere avond hoor ik hem. Wie zouden daar wonen en hoe zou hun huis eruitzien? Wat zou ik graag weten hoe de mensen in die straten en huizen leven en wonen. Hoe zijn ze en wat doen ze? Ik zou zo graag met de kinderen spelen. Ik haat de hekken die tussen mij en de ‘andere’ mensen staan.’
Komt uw pleidooi voor de eenheidservaring met de natuur voort uit uw afkomst uit de meest afgescheiden familie van Nederland?
‘Is dat de kop van het artikel?’
Dat weet ik niet. Het is een vraag.
‘Als je het zó zegt, klopt het. Er moesten heel veel hekken weg. Maar ik heb er nooit op die manier over nagedacht.’
U bent na de publicatie van Dialoog met de natuur veelvuldig belachelijk gemaakt. Hoe kijkt u daarop terug?
‘Het was dubbel. Aan de ene kant ben ik naar Zwitserland gegaan en wilde ik de kritieken niet lezen. Aan de andere kant kreeg ik veel brieven. Iemand schreef me: ik heb na het lezen van uw boek de gordijnen weer opengedaan en ik wil weer leven. Dat was het tegenwicht.’
Prinses Irene van Lippe-Biesterfeld: ‘Een boom heeft geen mening over wat mensen allemaal hebben gedaan’Erik Smits
Inmiddels zijn meditatietrainingen en stiltewandelingen in de natuur veel meer ingeburgerd en is de zorg om het klimaat breed gedeeld. Heeft u wel eens gedacht: zie je wel dat ik gelijk had?
‘Nee! Ik kan alleen maar blij zijn. Ik heb me heel alleen gevoeld als mens in deze ervaring van eenheid. Het was fantastisch om steeds meer mensen te ontmoeten die ook een eenheid met de natuur hadden ervaren. Ik heb daar bittere tranen om gehuild uit blijdschap.
‘Steeds weer leerde ik nieuwe dingen. Zoals dat je met iedere stap iets overbrengt aan de aarde. Als je blij dansend over de aarde gaat, breng je iets anders over dan wanneer je van woede aan het stampvoeten bent. Je straalt je gevoel uit, naar al het leven om je heen. Of je dat nu met je voeten doet, of met een lach om je mond, of met stralende ogen. Dat is allemaal hetzelfde. Het inheemse Kogi-volk uit Colombia bijvoorbeeld weet al eeuwen dat er met elke stap die je zet een wisselwerking met de overige natuur is.’
Bij vlagen is Dialoog met de natuur ook een rauw verslag van de existentiële twijfels waarmee u worstelde en die u dichter bij de natuur brachten.
‘Ja, ik zeg vaak dat we de pijn moeten durven voelen van het mens-zijn om anders in het leven te kunnen staan.’
Wat bedoelt u daarmee?
‘Het gaat erom hoe bereikbaar je bent voor de overige natuur, met daarbij de mens dus inbegrepen. In onze ingewikkelde samenleving trekken we allemaal schotjes op: je doet je beter voor dan je bent, kampt met gevoelens van onveiligheid en angsten. Als je die onder ogen ziet en kan loslaten dan raak je veel van je ego kwijt en sta je opener naar de wind die ruist door de bomen of de kleine madelief die met zoveel moed boven de aarde uitkomt.
‘Ik denk dat het belangrijk is om aan jezelf te werken om de overige natuur te ontmoeten. Dat alles er mag zijn. Dat je de mier niet doodslaat maar terugzet in de tuin, of de muis. In de cursussen is het openstellen van jezelf dan ook een belangrijk onderdeel.’
Is er een drempel waar cursusdeelnemers dan tegenop lopen?
‘Ja, absoluut. Er staat ‘ik’ op die drempel.’
In de tentoonstellingscatalogus van Wij zijn natuur haalt u de 13de-eeuwse Perzische dichter Rumi aan. ‘Er is een veld voorbij ideeën over goed en slecht; daar zal ik je ontmoeten’, schreef hij. Ik vraag me af waar dat veld is.
‘Het kan de natuur zijn, omdat daar geen oordelen zijn: een boom heeft geen mening over wat mensen allemaal hebben gedaan.
‘Ik zie ineens een beeld voor me van een ontmoeting in de woestijn, waar niets groeit en toch alles is – in iedere zandkorrel zit de hele kosmos, zei een wijs man ooit. Als je elkaar daar ontmoet, maakt het niet uit of je het wel of niet met elkaar eens bent. Je kan in de natuur alles loslaten en dan is de ontmoeting een wederzijds zijn.’
De tentoonstelling Wij Zijn Natuur is van 22 mei tot en met 31 augustus 2025 te zien in Singer Laren.
Een van de meestgegeten fruitsoorten in Nederland bevat vaak meerdere bestrijdingsmiddelen – en soms meer dan wettelijk mag. Zo werd de aardbei symbool van de discussie over gifresten. Hoe veilig is het fruit?
Dit artikel is geschreven doorVolkskrantm 4.7.2025 Ronald Veldhuizen
schrijft voor de Volkskrant over medisch onderzoek, psychologie en (neuro-)biologie.
Eerst het positieve nieuws over de aardbei. Nederlanders zijn er gek op. De aardbei is de op drie na meestgegeten vrucht in Nederland, blijkt uit de Voedselconsumptiepeiling. Daarin dulden aardbeien alleen appels, bananen en mandarijnen voor zich.
Maar de aardbei heeft ook een dark side. De vrucht krijgt al jaren het predicaat ‘gifbom’, onder andere na onthullingen van de actiegroep Pesticide Action Network Nederland (PAN-NL). Bij inspecties vinden keuringsdiensten en PAN-NL keer op keer vier tot acht soorten bestrijdingsmiddelen, soms in een hogere dosis dan wettelijk mag. Sommige van die middelen zouden bovendien tot de pfas horen, de stoffengroep waarvan vrijwel iedere Nederlander een te hoge dosis in het bloed heeft, zoals het RIVM donderdag bekendmaakte.
Laat de aardbeien dus liever staan, aldus de actiegroep, en dat geldt vooral voor zwangere vrouwen en jonge kinderen. Dat advies herhaalde een toxicologiehoogleraar dit jaar in een uitzending van het tv-programma Keuringsdienst van Waarde. Het Voedingscentrum vindt dat juist ‘verwarrend’ en benadrukt het belang van vers fruit. Fruit bevat weinig calorieën, maar veel vezels en vitaminen en is daarom gezond. De veiligheidsafspraken rond aardbeien en ander fruit vindt het Voedingscentrum streng genoeg om ook kinderen en zwangeren te beschermen.
De aardbei staat symbool voor de discussie over gifresten. Hoe ongezond zijn die bestrijdingsmiddelen op vers fruit?
Eerst de hoeveelheden bestrijdingsmiddelen zelf. Zowel de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) als actiegroep PAN-NL neemt geregeld steekproeven. De NVWA vond in de laatste steekproef uit 2022 een fractie van een milligram aan gifresten in 46 doosjes aardbeien. Ook actiegroep PAN-NL trof in 2024 zulke hoeveelheden in een kleinere steekproef van 13 doosjes.
Is dat veel? Jacob de Boer, emeritus hoogleraar milieuchemie en toxicologie van de Vrije Universiteit Amsterdam, plaatst het graag in perspectief. ‘Ik vergelijk het weleens met de medicijnen die we slikken. Van paracetamol moet je bijvoorbeeld een halve of een hele gram slikken om er iets van te merken. De gifresten op aardbeien zitten doorgaans in de nano- en microgrammen per kilo aardbeien. Dat is evenveel als één korrel suiker die je dan nog eens door een miljoen deelt. Bij een medicijn zeggen we dan: daar merk je niets van.’
De dosis maakt dus het gif en in dit geval is de dosis enorm laag, benadrukt De Boer. Het gaat om hoeveelheden die laboratoria tien jaar geleden niet konden meten. ‘Aan de ene kant kun je zeggen dat er zo onnodig paniek ontstaat en dat we niet zo precies hoeven te meten’, zegt de toxicoloog. ‘Maar dat is ook weer flauwekul. Als je weet wat er aan gifsporen op aardbeien zit, moet je gevoelig meten, want dan kun je op tijd ingrijpen.’
Normoverschrijding
Dat ingrijpen gebeurt nu weleens. Het komt voor dat een doosje aardbeien officieel te veel van een bepaald soort gif bevat. Van de 46 doosjes die de NVWA in 2022 testte, overschreden er vier de afgesproken norm. Die hadden niet verkocht mogen worden. Een kleinere steekproef als die van PAN-NL is minder betrouwbaar, maar toch overschreed daar een van de dertien doosjes de norm. Vandaar dat de actiegroep zegt: vermijden die aardbeien.
Toch betekent een normoverschrijding niet automatisch gevaar. ‘Dat dringt maar niet tot mensen door’, zegt toxicologiehoogleraar Ivonne Rietjens van Wageningen Universiteit, die ook vijftien jaar werk deed voor de Europese voedselautoriteit Efsa. ‘Het is prima dat die actiegroep deze steekproeven doet, maar ze hebben alleen gekeken naar de maximale residulimiet, de MRL. Dat is een afspraak over wat een teler realistisch gezien aan bestrijdingsmiddelen mag spuiten op groente en fruit en gaat niet over gezondheidsrisico’s. Als je de MRL overschrijdt, is er meestal nog geen overschrijding van gezondheidsrisico’s.’
De officiële gezondheidsrisico’s zijn berekend op de hoeveelheid bestrijdingsmiddelen en kilo’s lichaamsgewicht. En dus, zegt Daniel Figueiredo, die aan de Universiteit Utrecht (UU) blootstelling aan pesticiden onderzoekt, moet je eerst de microgrammen gif terugrekenen naar de portie die je eet en dat verdelen over het eigen lichaamsgewicht. Met de hoeveelheden bestrijdingsmiddel uit de steekproeven wordt het dan lastig om deze zogeheten acceptable daily intake (ADI) te overschrijden. ‘Ik betwijfel of een kind een hele emmer aardbeien opeet’, zegt Figueiredo. ‘En dat dan elke dag hè, want daar is die grens op afgesteld.’
Toch zeggen sommige onderzoekers dat het inderdaad geen kwaad kan om extra op te letten als zwangere vrouw of ouder van een jong kind. Bij ongeboren en pasgeboren kinderen is het brein nog in ontwikkeling en dat is een kwetsbare periode, beaamt Figueiredo. ‘Daar weten we nog erg weinig van. Als je aan de veilige kant wilt zitten, vermijd dan wat vaker aardbeien.’
Waarschijnlijk is de veiligheidsmarge al ruim genoeg, zegt Rietjens. Wetenschappers, legt ze uit, kijken naar de veilige dosis die een rat nog kan eten waarbij ze geen enkel gezondheidseffect bij het dier waarnemen. ‘Om aan de veilige kant te zitten, want ratten zijn geen mensen, moet de dosis tien keer lager zijn dan dat. En omdat je ook kwetsbare mensen hebt, zoals zwangere vrouwen of jonge kinderen, deel je het nog eens door tien. Dat is dus een honderd keer kleinere dosis. De veiligheidsmarge is dus heel groot.’
Meer pesticiden tegelijk
Er is wel discussie over hoe streng de afspraken moeten zijn. Aardbeien bevatten niet een, maar vaak drie of meer pesticiden tegelijk. Wordt de limiet bij elkaar dan niet alsnog overschreden? De Boer vindt dat daarvoor wat valt te zeggen. ‘Ik onderteken haast nooit petities, maar deed dat laatst wel bij een oproep om stoffen strenger te beoordelen omdat we vaak aan mengsels worden blootgesteld.’
Nieuw onderzoek bevestigt dat Europeanen in principe altijd aan een cocktail van pesticiden worden blootgesteld, van wel meer dan honderd soorten tegelijk. Daarvan komt een deel bij elkaar in het lichaam, bleek in de zogeheten Sprint-studie, waarover de Volkskrant onlangs schreef: in zowel bloed, urine, ontlasting als op polsbandjes troffen de wetenschappers meerdere middelen aan, waaronder insectenverdelgers als fipronil en het al vijf jaar verboden chloorpyrifos.
En afspoelen onder de kraan, die aardbeien, heeft dat zin? Fruit wassen is altijd goed om restjes zand en ziekteverwekkers te verwijderen, maar pesticiden spoel je er niet zomaar mee weg. Die plakken soms een beetje aan de vruchten en planten, legt Johanna Bac-Molenaar uit, die deels in opdracht van bedrijven aan het onderzoeksinstituut Wageningen Plant Research werkt om pesticidengebruik te verlagen, vooral voor de aardbeienteelt.
Actiegroep PAN-NL noemt plakkerige bestrijdingsmiddelen zelfs ‘pfas-pesticiden’. Fluopyram is er een van. Boeren spuiten dat wel vaker op aardbeien om te voorkomen dat de oogst verloren gaat aan schimmels. Bac-Molenaar snapt de benaming wel, want het molecuul, in feite een kronkelig staafje met een paar ringen en twee takjes met koolstof-fluorverbindingen, is inderdaad gebouwd om niet zomaar uit elkaar te vallen bij regen, net zoals bijvoorbeeld de coating van een waterdicht tentzeil.
Toch breekt fluopyram uiteindelijk wel af en daarom vindt milieuchemicus Chiel Jonker van de Universiteit Utrecht de omschrijving pfas-pesticide niet gelukkig. ‘Nu gaan mensen denken dat dit allemaal net zo erg is als de stoffen die fabrieken als Chemours uitstoten en die we bijvoorbeeld terugvinden in eieren en vis, maar dat klopt niet. Volgens deze definitie zijn bepaalde medicijnen zoals sommige antidepressiva ook een pfas, maar dat slikken miljoenen mensen zonder vergiftigd te worden.’
Wel kunnen de takjes van stoffen als fluopyram uit elkaar vallen tot piepkleine onafbreekbare pfas-verbindingen, zoals trifluorazijnzuur (TFA). ‘Die schadelijke stof zit al in ons drinkwater en hoort daar helemaal niet thuis’, zegt Jonker. ‘Het is daarom niet verstandig als we middelen blijven gebruiken die leiden tot meer van die stof. Wat dat betreft zeg ik: stop daarmee en zoek iets anders.’
Biologisch
En biologische aardbeien? Daarop zullen geen synthetische giffen zitten, zegt De Boer. Dus voor wie ze kan betalen en gemoedsrust wil, zijn die zeker een optie. Maar denk niet dat ze helemaal gifvrij zijn, waarschuwt Figueiredo. ‘Biologische telers gebruiken ook bestrijdingsmiddelen, zoals koper. Naar een deel van die middelen wordt veel minder onderzoek gedaan, waardoor we van sommige niet eens goed weten wat voor effecten ze hebben.’ Hij verwijst naar rapporten waarin de invulvakjes over de giftigheid van biologisch goedgekeurde middelen opvallend leeg zijn.
Zo gebruiken biologische boeren op aardbeien het middel Amylo-X. Dat is een schimmeldodend middel dat gemaakt wordt door een microbe die van nature rond de wortels van planten leeft, Bacillus amyloliquefaciens. Een spuitlimiet is er niet. Hoeveel Amylo-X kan worden aangetroffen op aardbeien, is onduidelijk: op dat middel wordt in geen enkele steekproef getest.
‘Biologische bestrijdingsmiddelen kun je wel vaak beter afwassen’, zegt Figueiredo. ‘Maar als je echt zekerheid wilt, moet je gewoon niet elke dag aardbeien eten, ook geen biologische.’
Pesticiden zijn hoe dan ook lastig te vermijden. Bac-Molenaar: ‘Als we vandaag stoppen met bestrijdingsmiddelen, heeft dat grote consequenties voor de voedselzekerheid.’ Insecten en schimmels willen nou eenmaal graag mee-eten met de planten die mensen massaal in de grond steken.
Bovengronds
Sommige gewassen bevatten wel wat minder bestrijdingsmiddelen dan anderen. ‘Een aardappel zit onder de grond’, zegt Bac-Molenaar. ‘Je kunt middelen op de bladeren erboven spuiten die je op de aardappel zelf niet tegenkomt.’
Wat dat betreft is de aardbei een pechvogel: de vrucht groeit bovengronds. ‘Daar spuit je als teler op dezelfde plek als waar de aardbeien groeien. Dus als je in de weken dat je plukt ineens een insectenplaag of ziekte krijgt, kun je wel zeggen: ik doe niks, maar dan is je oogst weg, of op zijn minst gedeeltelijk.’
Bladgroenten, zoals spinazie, kunnen nóg meer bestrijdingsmiddelen bevatten dan aardbeien. Beestjes zoals bladluizen azen op de bladeren en boeren spuiten insecticiden om ze eraf te houden. Bij aardbeien speelt daarnaast vooral schimmelziekte. In de kas is meeldauw de grootste uitdaging, in de buitenteelten is dit vruchtrot.
Zeker is: de normen zijn steeds strenger en de kennis over pesticiden neemt toe. Denk aan de pesticidenmengsels. Als iemand meerdere insecticiden binnenkrijgt, kunnen die effecten stapelen en zo op de lange termijn misschien toch een gezondheidsrisico vormen. Daar wil de Europese Unie nieuwe regels voor introduceren.
Soms veranderen de regels directer en sneller. Zo troffen Zwitserse onderzoekers het insecticide acetamiprid aan in het hersenvocht van kinderen (dat ze afnamen voor een operatie). Wetenschappers en activisten trokken aan de bel, waarna de Efsa een strengere veiligheidsmarge voor deze stof heeft toegezegd.
De vraag is of het allemaal snel genoeg gaat, vindt toxicoloog De Boer. ‘Het probleem is dat alternatieve bestrijdingsmiddelen niet snel worden omarmd. Laatst zag je dat weer met die kersen en die verboden bestrijdingsmiddelen (Exirel en Tracer, red.). Elke keer zegt de minister: toe maar, het mag nog een jaartje, er komt wel een alternatief. Maar op die manier komt dat alternatief er niet. Als je als overheid geen druk zet, blijven ze het verkeerde middel gebruiken of produceren.’
Zes vragen over fruit en pesticiden
Waren aardbeien vroeger wél gifvrij?
Zorgen over aardbeiengif waren er ruim vijftig jaar geleden ook al. Toen kocht de keuringsdienst ‘zich blut aan aardbeien met gif’, schreef de krant Het Vrije Volk. Overigens werden er destijds veel vaker overschrijdingen aangetroffen: bij een kwart van de doosjes. Toen was het ook eens moeilijker om die giffen te detecteren, dus de doses waren hoger dan nu. In 1938 moesten Nederlandse kinderen nog naar het ziekenhuis na het eten van aardbeien met gif tegen de Colorado-kever.
Fruit schillen, helpt dat tegen de pesticiden?
Bananen zitten onder de pesticiden. Ongezond? Alleen als je de schil eet. De schil blijft het ingewikkeldste stukje van groente en fruit als het aankomt op gezondheid. Want wie schilletjes belangrijk vindt, komt al gauw in een spagaat terecht: de schil is soms gezond, maar bevat ook vaak de meeste pesticiden. Neem de appel. Die kun je afspoelen of wassen en dat scheelt al heel wat. Maar sommige pesticiden blijven erop zitten. Schillen kan ook, maar dan mis je de vezels, die juist het gezondst zijn: vezels voeden gezonde darmbacteriën en houden daarmee de spijsvertering gezond.
Sommige stukjes fruit laten hun schil niet makkelijk los. Zo is druiven pellen geen eenvoudig klusje. Afspoelen is dan het enige dat enigszins helpt.
Zijn er ook pesticiden nodig in kassen?
Een kas is niet hermetisch afgesloten, zegt plantonderzoeker Johanna Bac-Molenaar van Wageningen Plant Research. ‘Anders wordt het te nat binnen. Je moet dus altijd een raampje openzetten. En dan kan er van alles naar binnen vliegen.’
Bladluizen bijvoorbeeld. Daar moeten telers nog vaak voor spuiten. Al lukt het steeds beter om insectenplagen voor te zijn. Telers zetten dan andere insecten uit die de bladluizen opeten. ‘Het probleem bij bladluizen is dat ze zich razendsnel vermenigvuldigen. Je bent met je natuurlijke vijanden nog steeds weleens te laat.’ Daarom onderzoekt Bac-Molenaar of je roofinsecten al met andere plantjes in een hoekje van de kas kunt houden. Als de luizen komen, zijn ze er op tijd bij.
Tegen schimmels kan een robotje helpen. Heel langzaam, met nog geen kilometer per uur, schijnt de robot met een speciale uv-lamp op de aardbeiplantjes in de kas. Het licht is schadelijk en vernietigt schimmeldraden van meeldauw, aartsvijand van de aardbei. ‘De schimmel heeft geen pigment, maar de aardbeiplant wel’, zegt Bac-Molenaar. ‘Als je preventief een paar keer per week met de uv-robot rijdt, lukt het in de toekomst hopelijk om minder of helemaal niet meer tegen meeldauw te spuiten.’
Wie lopen het grootste risico op schade door bestrijdingsmiddelen?
‘Eigenlijk zijn we wel een beetje hypocriet’, zegt emeritus hoogleraar Jacob de Boer van de Vrije Universiteit Amsterdam. ‘Terwijl we ons zorgen maken om minuscule hoeveelheden pesticiden op ons groente en fruit, gaan mensen in het buitenland er echt vaak dood aan.’ In Suriname is paraquat een bekend zelfdodingsmiddel: liefst twee derde van de suïcides daar gebeurt, volgens cijfers van de Surinaamse overheid, met het middel, dat in halveliterflessen te koop is,. Zelfdoding komt daar tweeënhalf keer zo vaak voor als in Nederland.
In de buitenlandse bloementeelt wordt zelfs met hoeveelheden gif gespoten die meetbare effecten op de gezondheid hebben, zegt Hans Kromhout, hoogleraar arbeidshygiëne en blootstellingskarakterisering aan de Universiteit Utrecht. ‘Ik heb het zelf gezien toen we een project deden bij de rozenteelt in Ethiopië. De pesticiden worden er vaak zonder waarschuwingslabels verhandeld, of het staat er alleen op in een taal die de mensen niet kennen. Daar heb je gewoon ploegjes jonge mannen die pesticiden toepassen en die doen dat dag in dag uit. Nou, na vijf jaar zijn ze opgebrand. Ze hebben dan zoveel klachten en aandoeningen dat ze gewoon niet meer kunnen werken.’
Zo min mogelijk bestrijdingsmiddelen eten, hoe doe ik dat?
Vind ze maar eens, gifvrije groente en fruit. Wie slim de kalender volgt, kan een poging wagen. Wees wel voorbereid op een wat schraler dieet. In juli en augustus bevatten vooral asperges, rode bieten, pruimen en courgettes weinig bestrijdingsmiddelen, aldus Pesticide Action Network Nederland (PAN-NL) op hun pesticideneetwijzer. In de winter kunnen rode bieten nog steeds en zijn pompoenen ook relatief schoon, net als witlof. Wie toch nog een exotisch stuk fruit zoekt, kiest het best een kiwi, watermeloen of ananas.
Wanneer werden bestrijdingsmiddelen uitgevonden?
Pogingen om plantjes te redden van plagen of slecht weer zijn waarschijnlijk zo oud als de landbouw zelf, schrijft Mary Louise Flint in haar boek Introduction to Integrated Pest Management. Denk aan de regendans (die bestond echt). Of, zoals een Romeinse tekst tegen plantplagen voorschreef: ‘Een vrouw zonder riem en met loszittend haar moet blootsvoets rond de tuin rennen, of een zoetwaterkreeft moet op verschillende plekken in de tuin gespijkerd worden.’
Maar al voor de Romeinse tijd stuitten mensen op iets krachtigs: de pesticide. De Sumeriërs gebruikten al 2500 jaar voor Christus zwavel om insecten en mijten weg te houden van oogsten. Al gauw waren ook giftige metalen een favoriet, zoals kwik en koper. Koper wordt nog steeds gebruikt door biologische boeren. Het eerste bestrijdingsmiddel uit de fabriek was DDT, een insectendodend middel. Dat is verboden omdat het ook andere dieren doodt.