Gerrit Harmens Warendorp was in de 17e eeuw in de stad Groningen bontwerker en hield zich bezig met het verwerken van bont en pels tot kledingstukken. Bontwerkers maakten kleding, kragen en voeringen van dierenvellen (zoals marter, hermelijn, nerts of bever). In de koude 17e-eeuwse winters was dit geen overbodige luxe, maar vooral een statussymbool. Het ironische is dat Gerrit zijn geld verdiende met het maken van luxe kleding voor de exacte 'elite' waartegen hij later politiek in opstand kwam. Het bontwerkersgilde was in Groningen een gerespecteerd en welvarend gilde.
Stadsbouwmeester
Omdat Gerrit een succesvolle ambachtsman was, had hij binnen dit gilde veel aanzien, wat de basis legde voor zijn leiderschapsrol als Gilde-bouwmeester (Stadsbouwmeester), een politieke en bestuurlijke functie binnen de gilden. Een gilde-bouwmeester was destijds verantwoordelijk voor het onderhoud van de openbare en stedelijke bouwwerken van de stad én hij trad op als de officiële woordvoerder en belangenbehartiger van de gilden bij het stadsbestuur.
De gilde-bouwmeesters vormden een klein, officieel bestuurscollege dat altijd uit twee personen bestond. De 18 grote burgergilden van de stad Groningen kozen gezamenlijk twee personen die hen moesten vertegenwoordigen. Deze twee bouwmeesters hadden een aantal belangrijke taken:
-Woordvoerders: Zij waren de directe tussenpersonen en onderhandelaars tussen alle gilden en de rijke burgemeesters van het stadsbestuur.
- Eigen rechtbank: Samen vormden zij een kleine rechtbank (rechtscollege). Als er ruzie was tussen twee verschillende gilden, of tussen leden binnen één gilde, spraken deze twee bouwmeesters het recht uit.
Gerrit Harmens Warendorp was dus door alle ambachtslieden van de stad gekozen als een van de twee allerhoogste gilde-leiders. Omdat het een duo-functie was, leidde hij het verzet niet in zijn eentje.
In de periode 1650-1662 was Groningen druk bezig met het moderniseren en onderhouden van de grote stadswallen, grachten en stadspoorten (zoals de voormalige Oosterpoort en Herepoort) ter verdediging van de stad. De gilde-bouwmeesters controleerden of dit werk goed werd uitgevoerd en of er niet met belastinggeld werd gesmeten door de corrupte burgemeesters. Ook het onderhoud aan openbare gildehuizen en markten, waaronder de Grote Markt (waar het Wijnhuis en het toenmalige raadhuis stonden), viel onder de politieke controle en het toeziend oog van de gilde-bouwmeesters.
Juist omdat Gerrit als gilde-bouwmeester letterlijk bovenop de stadsfinanciën en de bouwprojecten zat, zag hij van dichtbij hoe de kleine groep rijke families zichzelf verrijkte. Dit gaf hem de kennis en de motivatie om de gilden aan te voeren in hun strijd voor eerlijker bestuur.
•
Oproer
Er heerste in de jaren 1660 enorme politieke spanning in Groningen. De gilden (organisaties van ambachtslieden) waren woedend op de kleine groep rijke families (de oligarchie of 'elite') die het stadsbestuur in handen had en aan vriendjespolitiek deed.
Dit liep uit op een grote opstand (het gildenoproer), waarbij huizen van burgemeesters werden geplunderd en leeggetrokken. De burgemeester Gerhard ten Berge en de familie Coenders in de 17e eeuw misschien wel de machtigste en rijkste familie van de stad Groningen. Warendorp werd door het stadsbestuur gezien als een van de absolute aanvoerders van deze opstand.
Geen vlucht en ter dood veroordeling
Na het neerslaan van de opstand vluchtten veel gildeleiders. Mede-opstandeling Johan Schulenborgh (een senaatslid dat de gilden steunde) wist de stad op tijd te ontvluchten en ontsnapte zo aan zijn straf. Warendorp bleef en werd gevangengenomen en door de rechtbank (de Hoge Justitiekamer) ter dood veroordeeld.
In de rechtbank probeerde hij logischerwijs zijn eigen hachje te redden. Hij beweerde dat hij juist probeerde de vrede te bewaren en dat getuigen tegen hem logen. Dat getuigen hun verklaring introkken, kwam destijds vaker voor onder zware druk of angst voor wraak van de gilden. De elite dacht daar heel anders over; zij zagen hem als een gevaarlijke oproerkraaier die de orde in de stad omver wilde werpen.
Warendorp pleegde naar de wetten van die tijd "hoogverraad" en opstoking tegen het wettige gezag (wat hem destijds een zware crimineel maakte). Maar het motief van het stadsbestuur om hem zo hard aan te pakken en de doodstraf te geven, was inderdaad pure machtsbehoud en angst om hun eigen rijkdom en posities te verliezen aan de opstandige burgerij.
Op 16 januari 1663 is deze 33 jarige ambachtsman in het openbaar onthoofd op de Grote Markt. Hij liet een vrouw Grietje Luitjes en drie kinderen alleen achter, Grietje, Gerrit en Geertruda en als familie van een veroordeelde zal het geen rooskleurige toekomst hebben gehad.
Vervolg
Het stadsbestuur was na het oproer zo geschrokken van de politieke macht en de opstandigheid van deze gilde-bouwmeesters, dat ze direct na de executie van Warendorp hebben ingegrepen. In het rampjaar 1663 heeft de Groningse elite de functie van gilde-bouwmeester dan ook volledig afgeschaft. Ze wilden hiermee voorkomen dat de gilden ooit nog zo'n machtig politiek blok tegenover het stadsbestuur konden vormen.
Het valt veel historici op dat er in Groningen of standbeeld voor hem te vinden is. Dit komt omdat de rijke elite (die na 1663 nog eeuwenlang de baas bleef in de stad) hem in de officiële geschiedenisboekjes altijd heeft afgeschilderd als een gevaarlijke oproerkraaier en crimineel, in plaats van een volksheld die opkwam voor de rechten van de gewone burger. Alleen een portret schildering herinnert nog aan deze nobele ambachstman die te zien is in het Groninger museum.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten