donderdag 2 januari 2020

Offergebeurens op de Waldstein


1 januari 2020



We bezoeken de Waldstein met zijn drieën een hoge berg aan de noordzijde van het Fichtelgebirge, vlakbij Weissenstadt. Een plek die ik niet zoveel heb bezocht na mijn komst hier dertien jaar geleden. Het vriest nog een beetje na een ijskoude nacht. Maar het zonlicht is fel, waarlijk warm en aangenaam net of er meer Licht in zit.

Op de kaart kies ik de toegang vanuit het zuiden, via Ruppertsgrün, daar de oude sferen nog het meest te beleven zijn.

Al snel gaat al wandelende de aandacht naar een reus die in het blikveld komt. ‘Ken je me nog’ is zijn vraag? ‘Ik ging altijd met je mee als je op stap ging in het Fichtelgebirge. Ik ben gebleven. De tweede is weg gegaan.’ Hij houdt nu van dit gebied deze oude beschermer, bewaker van eens het zeer oude heiligdom nu Felsenlabyrinth waar zijn oer territorium was. ‘Nu huis ik hier rond de Waldstein,’ zijn nieuwe territorium. ‘Je bent wel veranderd: opener geworden’ is zijn analyse na mijn 1000 jaar menszijn.

Weer verder noemt de reus opeens: ‘je hebt een kind op je rug van een ander leven!’. Nu kan ik het doorgeven aan de geestelijke wereld. Handig zo’n extra subtiele waarnemer.

Weer verder staat een hele groep dwergen ons op te wachten. Wel meer dan veertig elementalen gaan ons voor en ik hoor: ‘dit is ons rijk’! Een dwerg wijst omhoog en daar zie ik een gezicht, een halfgod, mensen gelijkend: ‘van harte welkom kristaldrager’.  Boven deze halfgoden leeft de oppergod Thor/Odin, die zegt: een verrassing: je bent hier al geweest in een andere tijd. We herkennen je nog. Je was heel gebiedend!’ Ik vraag wat heb ik in dit leven te leren: ‘stil zijn.

We komen op de top van het plateau waar een indrukwekkende granieten rotspartij is. Die ken ik. Bij mijn uitstapjes vanuit het Felsenlabyrinth leven ging ik met m’n twee reuzen begeleiders hiernaartoe. En de grote platte steen, nu abusievelijk genaamd ‘Teufelstein’ was eens een waarzegsteen. Nu heeft het het lot van een menselijke bestemming die het draagt: Teufel.

De hoge rotsen waren eens toplocaties om lang op te zitten met een prachtig rondom uitzicht. Wel een week ging ik destijds daarop zitten vooral rond nieuwe maan daar er dan geen afleiding is van het maanlicht. Op de hoogste locatie is een nu prachtig uitzichtpunt, genaamd ‘Aussichtswarte Schlüssel’.  Ik ga eronder zitten in een hele grote Schlüsselschaal. Je kijkt precies naar de Oksenkopf en Schneeberg. In een meditatiehouding met gekruiste benen zat je daar een week om ondermeer astraal te reizen. Nog voel ik als ik erin zit mijn benen wiebelig worden, reisvaardig maar nu niet.  Ik ging hier tenminste tweemaal per jaar voor een week naar toe: bij midzomer en midwinter.
Plots zie ik voor me de oude granieten  offersteen met grote rillen in de naar beneden. Hier zijn mensen op geofferd voor mijn tijd. Hier werden de geofferden naar toe gebracht.
S. moedig ik aan om even buiten het pad te komen en te zitten op deze hoge steen, net onder de topsteen. Angst overheerst bij hem dat hij naar beneden zal vallen. Een oude waarneming wat hij eens heeft gezien en gevoeld en zelf heeft ook heeft mogen ervaren.  Gedrogeerd, willoos gemaakt, werd hij door twee priesteressen destijds naar boven gebracht, de keel doorgestoken door de hoofdpriesteres, die daar zat en dan na doodgebloed te zijn naar beneden geduwd. Voer voor de wolven.  Barbaarse riten. En raad eens wie een van die priesteressen was: zijn vriendin A. waar hij maar niet van los kan komen. Bij haar kwam direct een oude gedachten boven toen S. in zijn oude angst schoot van de rots geworpen te worden: ik hoop dat je gelijk doodvalt, dat is beter dan je rug breken met blijvende schade.  Oude gedachten patronen ebben nog door in ons geheugen en dienen herkend te worden wat ze eens betekenden. De geofferden die zich toen vrijwillig aanboden dachten zo naar de ‘hemel’ te gaan, naar het hogere. Maar ze kwamen in het lagere, onder in de aarde, in de onderwereld waar ze werden vastgezet.  Daar zitten zie ik honderden geofferde zielen opgesloten. Die mag ik nu eindelijk bevrijden en de vele ziele lichtjes gaan als kleine lichtjes over het landschap: eindelijk los.
Mensen moesten eens weten wat voor punt ze hier bezoeken. Het is een dringen van mensen om het hoogste punt te bereiken, eens een reispunt maar in verre Godinnen erende tijden: een ware offerplek voor goedwillende mannen.

Ik spreek Odin God erover aan: ‘Ik heb zelf ook meegedaan en aangezet. Ook ik ben aangezet door iets hogers. Een ware Arihmanische kracht zat achter deze religieuze cultussen.
Ik realiseer me dat op deze plaats nog heel lang offerrituelen zijn gehouden tot in de vijfde eeuw. Niet meer in mijn toenmalige tijd, de zesde eeuw na de jaartelling, realiseer ik me. Overigens heb ik elders wel veel offeringen uitgevoerd.

Op de terugweg kijk ik naar de hoogste rots die een driehoekige vorm heeft van de Godin.  Hier woonde een vrouwengemeenschap in mijn tijd en bij het Felsenlabyrinth waar ik diende was een mannengemeenschap. Ik reisde als belangrijke persoon met twee subtiele bewakers door het landschap. Dat gaf een extra subtiel zintuig omdat ze je attent maakten op subtiele gegevenheden.
Mij oude beschermer reus reist nu met me mee naar m’n hof. Ik heb een nieuwe plek beschermer.

Nee dat waren niet altijd goede tijden die wakker waren, vooral aan het einde van een evolutiecyclus. Vol traditie en vol overgave aan niet altijd te bewuste sferen!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten